U kunt de formaten Laser 8½" x 11" of Laser 8½" x 11" (2 etiketten per pagina) (of lokaal equivalent) gebruiken om verzendetiketten af te drukken met een extra informatiekader. Met het extra informatiekader (5 centimeter boven- of onderaan) kunt u uw etiketten aanpassen met een verzendetiketheader, algemene streepjescode of referentienummers.
Om de laseretikettenprinter in te stellen voor het afdrukken van de formaten Laser 8½" x 11" of Laser 8½" x 11" (2 etiketten per pagina) (of lokaal equivalent) met een extra informatiekader:
Selecteer Systeemvoorkeuren en dan Afdrukinstellingen in de tab Tools. De tab Instelling voor afdrukken verschijnt in het venster Editor systeemvoorkeuren.
Selecteer in de rooster Printer de printer waarvoor u etiketten wilt instellen.
Tip: Als uw printer niet verschijnt in de rooster Printers, zie Een etikettenprinter installeren.
Klik op de knop Instelling etikettenprinter. Het venster Instelling etikettenprinter verschijnt.
Als in het vakje Naam de correcte printer staat, gaat u door naar stap 8. Als in het vakje Naam niet de correcte printer staat, gaat u door met stap 6.
Klik onder Printer op de knop Etikettenprinter wijzigen. Het venster Printerselectie verschijnt.
Selecteer uw laseretikettenprinter en klik op Selecteren. Het venster Instelling etikettenprinter verschijnt weer.
Klik onder Configuratie etiket op de pijl naar beneden in het vakje Afmetingen etiketten en selecteer Laser 8½ x 11 of Laser 8½ x 11 (2 etiketten per pagina) (of plaatselijk equivalent).
Klik op de pijl naar beneden in het vakje Gebruik van extra informatiekader en selecteer wat u wilt afdrukken in het extra informatiekader van het etiket. U kunt kiezen uit (Geen), Verzendetiketheader, Referentienummers en Algemene streepjescode.
Tip: Als u referentienummers selecteert om af te drukken in het extra informatiekader en dan dezelfde referentienummers kiest om af te drukken bij de etiketinformatie, worden die referentienummers niet afgedrukt in het extra informatiekader.
Klik op de knop Toepassen. De tab Instelling voor afdrukken in het venster Editor systeemvoorkeuren verschijnt weer.
Controleer in de rooster Printer of bij Printernaam uw printer staat. In Afmetingen etiketten moet Laser 8½ x 11 of Laser 8½ x 11 (2 etiketten per pagina) (of lokaal equivalent) staan en in Gebruik van extra informatiekader (Geen), Verzendetiketheader, Referentienummers of Algemene streepjescode.
Selecteer indien nodig andere specifieke etiketopties voor dit etiket:
Selecteer het keuzevakje Standaard printer als deze printer de standaard printer is voor dit type printer. Voor elk type printer is één standaard printer toegestaan.
Als u in stap 9 Algemene streepjescode selecteerde voor het extra informatiekader, moet u op de pijl naar beneden klikken in het vakje met de titel Dit referentienummer werd aan de geselecteerde streepjescode toegewezen, en het referentienummer selecteren dat in de streepjescode moet worden gecodeerd.
Tip: U moet de eigenlijke streepjescode voor deze optie invoeren in het overeenkomstige vakje met referentienummer, in de tab Referentie, in het venster Verzenden.
Selecteer de gepaste keuzevakjes voor Etiket ontvanger. Als u het selectievakje Etiket ontvanger vracht afdrukken selecteert, selecteer dan ofwel Per afhandelingseenheid of Per stuk.
Klik op de knop Bijwerken.
Zie Systeemvoorkeuren voor afdrukken instellen voor instructies over andere systeemvoorkeuren die niet specifiek voor dit etiket zijn.